Willem Buitenweg (1954) is geboren en getogen in Wierden, Overijsel. Na de middelbare school studeert hij aan de kunstacademie in Enschede (AKI). De AKI bevindt zich met docenten als Reinier Lucassen, Alfons Freijmuth, Jan Roeland en kunsthistoricus Hans Sizoo in het brandpunt van de Nieuwe Figuratie.Na het eindexamen in 1980 vertrekt hij naar Amsterdam. De tijd kenmerkt zich door belangrijke maatschappelijke veranderingen. Idealisme maakt plaats voor pragmatisme, het ‘poldermodel’ ontstaat. Het begint met crisis, grote werkeloosheid, doemdenken, krakersrellen en felle demonstraties. In het midden van het decennium herstelt de economie zich. In Amerika en Europa komt de kunst weer uitbundig tot bloei, alles kan en mag weer. In Nederland kruipt ze uit alle hoeken, van kraakpand, tot atelier en kunstopleiding. Na een periode waarin minimale, conceptuele en formele kunst domineren, beginnen kunstenaars weer expressieve, persoonlijke en herkenbare voorstellingen te schilderen . De Nieuwe Figuratie en de Fundamentele kunst geven antwoord op de ontstane situatie. De eerste met een nieuwe gebruik van oude tradities, de tweede door de herbezinning op wat schilderkunst in wezen is.Het betekent voor Buitenweg een lange zoektocht naar zijn plaats in de kunst. Hij verdiept zich in de visuele wereld van kubisme, expressionisme, informele kunst en Cobra. Hij laat de visuele prikkels van het leven van alledag toe. Het hier en nu wordt zijn werkveld. Het gewone is bij hem de hoogste vorm van werkelijkheid. Het vroege werk toont vaak een vis of een vogel, beelden van Cobra. De figuratie is leesbaar, herkenbaar, schijnbaar eenvoudig opgezet.De lijn speelt een hoofdrol, ze verbindt hoofd, handen, voeten tot een figuur. Als meerdere lijnen kruisen ontstaat een perspectief dat het oog het beeld op het oog op verschillende wijze kan vertalen. Het is een spel van beweging op ingetogen kleurvlakken. Een typerende handeling is het ‘opwerken’ van de contourlijn, hij knijpt de verf onverdund uit de bus op het doek. De dikke lijn gaat zijn eigen weg tot het beeld naar voren springt. Buitenweg ziet zijn werk als een puzzel die hij maakt en zelf moet oplossen. Hij trekt lijnen, kijkt of ze een oplossing brengen werken en grijpt waar nodig in. Het materiaal heeft zijn eigen inbreng en zorgt voor het onvermijdelijke toeval. Het werk eindigt pas als lijn en kleur de juiste plaats hebben gevonden. De kijker kan nu aan de slag om uit lijnen en kleuren het beeld te herleiden.